tijd de; m -en
1 opeenvolging van ogenblikken; tijdsverloop, tijdsduur of tijdstip: na verloop van ~; op ~ beginnen tijdig; te allen ~e altijd; te zijner ~ als het zover is; over ~ zijn te laat zijn, m.n. bij het uitblijven vd menstruatie; uit de ~ verouderd
2 (taalk) vorm ve werkwoord ter aanduiding ve tijd vd handeling in het heden, het verleden of de toekomst: de tegenwoordige, verleden, toekomende ~
Waarom heeft een mens zoveel slaap nodig? Ik kom namelijk tijd te kort. Ik zal vast niet de enige zijn, maar mocht je nog wat tijd over hebben stuur mij dan een bericht. Bij voorbaat dank.
0 Reacties tot “De tijd”